Skip to main content

Doping en Spanje

Doping en Spanje

Alicante 11-10-2010

Jammer hoor weer heel veel comotie om de dopping en de sport we weten allemaal dat het er is maar toch keuren wij het af.Vijf Spaanse sporters in opspraak wegens doping deze week. Waarom komen de zondaars toch zo vaak uit Spanje? Het probleem in 5 stukken.

Eén week, vijf dopingzaken. Wielrenners Ezequiel Mosquera, David Garcia Dapena en Oscar Sevilla werden positief bevonden op HES, mountainbikester Marga Fullana op epo, Tourwinnaar Alberto Contador raakte in opspraak door clenbuterol en plastic in zijn bloed. De kleur van de vlaggetjes achter de namen van de vijf is steeds dezelfde: rood-geel-rood. Het verleidde Pat McQuaid, De Grote Baas van de Internationale Wielerunie, tot de uitspraak: ‘50 procent van de dopinggevallen komt uit Spanje – ze moeten daar eens inzien dat ze een heel groot probleem hebben.’ Het probleem in vijf stukken.

De verkrijgbaarheid

Hoe makkelijker dopingmiddelen te verkrijgen zijn, hoe lager de drempel om ze te gebruiken. Je kunt in Spanje heus geen spuit epo of een bloedzak kopen bij de supermercado om de hoek, maar het scheelt niet veel. De apotheek om de hoek verkoopt het namelijk wél. Ook zonder recept. Er zijn weinig landen waar zware medicamenten en dopinggeduide middelen zo makkelijk over de toonbank gaan als Spanje. Toen de Belgische wielrenner Roy Sentjens een paar maanden geleden uit wanhoop besloot om epo te gebruiken, stapte hij in zijn auto en reed naar Barcelona. Hij stapte een apotheek binnen, kocht een paar ampullen en reed weer terug. Simpel.

De pakkans

Doping zou niet eerlijk zijn. En onethisch. En gevaarlijk voor de gezondheid. Vergeet al die bezwaren – in de praktijk draait het vooral om één aspect: de pakkans. Zonder controles is anti-dopingbeleid een tandeloze tijger.

Uit onderzoek van het Asser Instituut blijkt dat het Spaanse anti-dopinginstituut aanmerkelijk minder binnen en buiten wedstrijdverband controleert dan nationale anti-dopinginstituten in andere landen. Ook al is Spanje een van de grootste sportlanden ter wereld: het aantal sporters dat is opgenomen in de controlegroep is ongeveer twee keer zo klein als in Nederland en Portugal, en zes keer zo klein als in Italië of Duitsland. De reden: geld. Analyses van urine en bloed kosten handenvol euro’s. Dat geld is er simpelweg niet in Spanje. Alleen een selecte groep topatleten wordt regelmatig gecontroleerd door het nationale anti-dopinginstituut, internationale sportbonden of het WADA. Sporters die niet tot deze topselectie behoren, kunnen het gevoel krijgen dat ze in het Wilde Westen leven: ze gebruiken wat ze willen zonder te worden gepakt.

Cultuur

Wielrenner David Millar, dopingzondaar en in het verleden in dienst van een Spaanse ploeg, zegt het als volgt: ‘In Spanje bestaat er een dopingcultuur. Ze denken echt dat het niet kan zonder doping.’ De ‘ze’ waar Millar op doelt: sporters, maar ook hun (medische) begeleiders.

Het is een probleem dat gebaseerd is op een gebrek aan vertrouwen. Wie denkt dat iedereen om hem heen rijdt op stimulerende middelen, moet zelf stevig in zijn schoenen staan om geen doping te gebruiken.

Risicoafweging

Spanje is geen rijk land. En in het recente verleden al helemaal niet. Sport is voor een grote groep Spaanse topatleten dé manier om carrière te maken en geld te verdienen. Dat verandert de risicoafweging: meer atleten zijn bereid te gokken (doping te gebruiken) als het alternatief (geen of slecht belegd brood op de plank) minder aantrekkelijk is.

Het probleem doet zich vooral voor in het wielrennen – vanouds de sport die wordt beoefend door de minst rijke Spanjaarden. Oudere renners bij kleinere ploegen zwichten met enige regelmaat voor de verleiding om stimulerende middelen te gebruiken – en dan maar te hopen dat ze niet worden gevonden.

Politiek

Sport is, zeker de afgelopen twee decennia, het uithangbord van het land geworden. Spanjaarden vereenzelvigen zich met de successen van Real Madrid, Barcelona, de nationale voetbal- en basketbalploeg, maar ook met individuen als Alberto Contador, Rafael Nadal en Fernando Alonso. Daardoor is de sport machtig, zowel op economisch als politiek gebied. Die macht leidt tot excessen. Het beste voorbeeld: Operatie Puerto, het schandaal rond dopingarts Eufemiano Fuentes.

Fuentes leidde een organisatie die handelde in bloeddoping voor sporters. Hij had meer dan 200 klanten, waaronder voetballers, tennissers, hardlopers en wielrenners. Uiteindelijk werd slechts een vijftigtal namen bekendgemaakt – allen wielrenners. Het onderzoek naar de andere namen verdween in de doofpot. Want voetbal is te belangrijk, in tennis speelt een van de grootste sporters van het land, en atleten uit belangrijke olympische sporten werd de hand boven het hoofd gehouden met het oog op de olympische medaillespiegel en de Madrileense kandidaatstelling voor de Spelen van 2016.

Het dossier Puerto is al lang en breed gesloten. Maar een probleem ontkennen betekent niet dat het niet bestaat.

Bron: depers.nl/T.Zonneveld